nutteloosheid
Uiterlijk
- nut·te·loos·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nutteloosheid | nutteloosheden |
| verkleinwoord |
de nutteloosheid v
- het nutteloos zijn
- De volkomen nutteloosheid van al dat sectarisch geweld is me een doorn in het oog.
- Het woord nutteloosheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.