nuffig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuf·fig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van nuf (nuff= neus) met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nuffig nuffiger nuffigst
verbogen nuffige nuffigere nuffigste
partitief nuffigs nuffigers -

Bijvoeglijk naamwoord

nuffig [2]

  1. wat past bij iemand die zich verheven voelt boven andere mensen
    • Nog twee outsiders zijn welkom: een kinderboekenschrijfster en een zanger. In die laatste herkennen we Johan Heldenbergh, die een amusante variant speelt op Bono, die andere bard van de machtigen. Zijn rol is echter te mager: het is alsof hij alleen moest opdraven om even een nuffige versie van ‘Walk on the wild side’ te spelen. Tja, die ondankbare bijrol is ook Bono’s lot. [3] 
    • Een paar uur voor hij na de wedstrijd tegen Cambuur zijn afscheid aankondigt, bezoek ik hem bij hem thuis in Hengelo. Voor het laatste interview, het afscheid, het slot. Hoe vaak zaten we al niet tegenover elkaar in de afgelopen jaren? We bespraken alles. Natuurlijk het bekersucces, zijn vertrek naar Ajax, de kritiek die hem toen overviel en zijn terugkeer. Soms was hij nuffig, kortaf, soms uitgelaten vrolijk. Maar steeds meer toonde hij zijn kwetsbare kant. We spraken over zijn pijnlijke scheiding, maar ook over zijn nieuwe liefdesgeluk. Over het leven in alle lichte en donkere kanten. Zijn verhaal was ons verhaal. [4] 
  2. te fijngevoelig
    • Ik heb hierboven bewezen een grotere woordkunstenaar te zijn dan Hiddema - mag ik mij nu ook op de kritiekloze bewondering verheugen die hij geniet om zijn stoute uitspraken? Ik ben dan niet zo nuffig dandyesk als hij, en iets minder scheutig met schattig-reactionaire ironie, maar geef mij ruimte in uw publicatie of tv-programma en ik Rif-relateer u scheel. [5] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
46 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. nuffig op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard 13 SEPTEMBER 2016 | Jeroen Struys
  4. Tubantia 02-02-2014
  5. Volkskrant Hassan Bahara 10 juni 2017,
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be