notulist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·tu·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord notulist notulisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

notulist m

  1. (beroep) verslaggever van een bijeenkomst
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie