nota bene
Uiterlijk
- no·ta be·ne
- let wel
- om te kennen te geven dat men iets belachelijk vindt
- ▸ En dat nota bene in het bijzijn van zijn eigen vrouw. . .[3]
- ▸ Dat blad werd nota bene gewaardeerd door de koning, die wel wilde weten wat er speelde.[4]
- ▸ Dan zet hij zijn zinnen op het dorpsmeisje Zerlina, nota bene op haar trouwdag.[4]
- ▸ Tot verbijstering van de humanist liet de paus zich als een tweede Caesar in triomftocht binnenhalen, nota bene na zoveel bloedvergieten.[5]
- Het woord nota bene staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ bene#hl1 "nota bene" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ nota bene op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - 1 2 Daan Bronkhorst“Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025313562 - ↑ Jan Bloemendal“Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312541