normaliter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nor·ma·li·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bijwoord van hoedanigheid: gewoonlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1910 [1]
  • Afgeleid van normaal met het achtervoegsel -iter

Bijwoord

normaliter

  1. in het normale geval
    • Welk merk tandpasta koopt u normaliter? 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen