noodwoning

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

noodwoningen na de Tweede Wereldoorlog
Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·wo·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodwoning noodwoningen
verkleinwoord noodwoninkje noodwoninkjes

Zelfstandig naamwoord

noodwoning v [1]

  1. eenvoudige, tijdelijke woning in tijden dat er onvoldoende woningen van betere kwaliteit zijn
    • De wederopbouwfase bestaat onder meer uit het verstrekken van materialen voor het opbouwen van een noodwoning of andere vorm van onderdak. 'Daarnaast proberen we mensen weer te helpen om eigen inkomsten te gaan genereren, bijvoorbeeld door zaaigoed te geven en spullen om het land te bewerken. In visserijgebieden kun je denken aan kleine netten en visgerei.'[2] 
    • Na de ramp kreeg Nederland uit de hele wereld hulp aangeboden. Via het Rode Kruis werden ruim 900 bouwpakketten voor noodwoningen aangeleverd, omdat ongeveer 5000 huizen onherstelbaar beschadigd waren. Noorwegen schonk 326 prefabwoningen, die onder andere in Raamsdonksveer zijn opgetrokken.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen