noodnummer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

logo van noodnummer 112
Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·num·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodnummer noodnummers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

noodnummer o

  1. een telefoonnummer om de hulpdiensten (zoals politie, ambulance en brandweer) snel te kunnen spreken
    • Nederland loopt achter met de techniek die de locatie herkent van mensen die noodnummer 112 bellen. Met die waarschuwing komt het Europese netwerk van alarmcentrales.[1] 
    • De man was op vakantie met een groepsreis, maar na een sanitaire stop was hij zijn medereizigers uit het oog verloren. De Brit had geen mobieltje, paspoort en noodnummers op zak.[2] 
    • Alle nieuwe auto’s in Europa moeten vanaf 31 maart zijn voorzien van een noodoproepsysteem dat bij een ernstig ongeval automatisch hulpdiensten waarschuwt. Het zogenoemde eCall alarmeert via het Europese satellietnavigatiesysteem Galileo het Europese noodnummer 112.[3] 
    • Het is voor de politie in de Duitse hoofdstad namelijk een serieus probleem: burgers die hen ten onrechte bellen. Bij ongeveer twintig procent van alle telefoontjes naar het noodnummer is geen sprake van een noodgeval, en met jaarlijks 1,3 miljoen telefoontjes tikt dat aan.[4] 
  2. een telefoonnummer dat je kunt bellen als er een specifiek probleem is dat snel verholpen moet worden
    • Het noodnummer wordt zo'n 10 keer per week gebeld door amateurclubs. Verenigingen kunnen het nummer 24 uur per dag bellen als er buitensporig fysiek of verbaal geweld op het voetbalveld plaatsvindt en er met spoed ondersteuning van de politie of de bond nodig is.[5] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen