noodgedwongen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·ge·dwon·gen
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

noodgedwongen

  1. door nood, tegen je wil, iets moeten doen of laten
    • Toen de bus niet reed, liepen wij noodgedwongen weer terug naar school. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.