Naar inhoud springen

noem

Uit WikiWoordenboek
  • noem
vervoeging van
noemen

noem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noemen
    • Ik noem. 
  2. gebiedende wijs van noemen
    • Noem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noemen
    • Noem je? 
     ‘Noem jij dat water? Het lijkt wel slijm!’ gromde hij.[1]
     De vraag die Arend me stelde noem ik uiteraard niet, maar wel beroep ik me in zijn naam op de saam- horigheid die het familiebedrijf groot heeft gemaakt.[2]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
noem
noem
volledig

noem

  1. noemen