noedel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • noe·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noedel noedels
verkleinwoord noedeltje noedeltjes

Zelfstandig naamwoord

noedel m

  1. (voeding) een dun uitgerold en in reepjes gesneden gekookt deegwaar van tarwebloem, eieren en water, meestal als voorgerecht gegeten
    • Snijd de eend in dunne plakjes en dresseer de noedel erbij. 
     Ze worden met de hand gerold, gerekt en tegen een plank geslagen voor elasticiteit. Het is daarbij de kunst om de noedel heel te houden en te verwerken in de geurigste gerechten.[2]
  2. (voeding) deegballetje gemaakt van aardappels
Verwante begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. noedel op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 8 januari 2021 Weblink bron Hassnae Bouazza & Nadia Zerouali “Handgemaakte noedels, een klein ambachtelijk wonder” (30 maart 2020) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be