nodigde uit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·dig·de uit
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
uitnodigen

nodigde uit

  1. enkelvoud verleden tijd van uitnodigen
    • Ik nodigde uit. 
    • Jij nodigde uit. 
    • Hij, zij, het nodigde uit. 


Gangbaarheid