nieuwtje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nieuw·tje
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord nieuwtje nieuwtjes

Zelfstandig naamwoord

nieuwtje o dim. tant.

  1. een zeer recent nieuwsbericht
    • Waar haalt hij toch altijd die nieuwtjes vandaan? 
     Deze schilderclub was hier duidelijk niet alleen om te schilderen, maar vooral om de laatste nieuwtjes door te nemen.[1]
     Als de aanstaande ondergang van het Aquarium dit jaar het sombere nieuwtje binnen de familie was, dan was het des te merkwaardiger dat hij bij zijn broer thuis was om te vieren wat juist de grootste vreugde van de familie was geweest.[2]
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be