nieuwigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nieu·wig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nieuwigheid nieuwigheden
verkleinwoord nieuwigheidje nieuwigheidjes

Zelfstandig naamwoord

nieuwigheid v

  1. iets dat nieuw (bedacht) is
    • Dat is wel een aardig nieuwigheidje. 
     Opvallend is dat het prestigieuze tijdschrift De Gracieuse de mondaine Franse term nouveautés gebruikt, terwijl de Vrouwen-Wereld het houdt bij de iets bescheidener klinkende Nederlandse term 'nieuwigheden'.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Laura Van Aert “Winkeldochters: vrouwen in de handel en als consument van textiel, 1600-2000” (2007), Uitgeverij Verloren op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be