neuroticus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neu·ro·ti·cus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord neuroticus neurotici
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

neuroticus m [1]

  1. (medisch) persoon lijdende aan een neurose (psychiatrische aandoening)
    • En toch: hoeveel talent is er nodig om uit dat kleine, verachte leven een parel van een boek te puren. Een meesterwerk als Dode zielen, bijvoorbeeld. En al helemaal in 1842, toen het nog bon ton was om te zwelgen in heldhaftig sentiment, toen de werkelijkheid haar plaats nog niet had opgeëist in de Grote Russische Roman. Toen er nog geen Russische roman bestónd – het bleke mannetje Gogol, genie, neuroticus en Oekraïner met kozakkenbloed, heeft hem zowat uitgevonden. Dat al die hele en halve Byrons daar niet aan hadden gedacht! Of misschien alleen Poesjkin, want volgens de overlevering zou deze überromantische dichter Gogol het idee van Dode zielen hebben ingefluisterd. [2] 
  2. (figuurlijk) (pejoratief) iemand met een groot gevoel die snel angstig en depressief is, en vaak ook overdreven precies is
    • 'Een neuroticus vindt waarschijnlijk niet gemakkelijk iemand om een gezin mee te stichten. Maar als dat wel lukt, zijn dit juist de mensen voor wie kinderen extra zwaar zullen zijn.' [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 28 NOVEMBER 2014 Alexandra De Vos
  3. Volkskrant Tonie Mudde 14 januari 2014