neukstaaf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neuk·staaf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord neukstaaf neukstaven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

neukstaaf v / m

  1. (vulgair) mannelijk geslachtsdeel
    • Specifieke details die je toevoegt in je beschrijving, zoals zijn gloeiend hete neukstaaf die haar dreigt uiteen te rijten, zijn misschien voor jezelf effectief omdat ze bepaalde herinneringen bij je oproepen, maar ze wekken bij de lezer walging, onverschilligheid of lachlust op. [1]
    • Ik wist - dat hadden onze seksblaadjes me al een paar jaar lang nadrukkelijk onderwezen - dat een aanblik als welke Jane ons nu gunde, een man onmiddellijk een 'keiharde neukstaaf' moest bezorgen, een 'kolossale, recht omhoogstaande genotsknuppel', een 'bloedgeile vleespilaar'. [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen