nestelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nes·tel·de

Werkwoord

vervoeging van
nestelen

nestelde

  1. enkelvoud verleden tijd van nestelen
    • Ik nestelde. 
    • Jij nestelde. 
    • Hij, zij, het nestelde.