nep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nep
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘Bargoens: bedrog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1927 [1]
  • Herkomst: Bargoens [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nep nepper nepst
verbogen neppe neppere nepste
partitief neps neppers -

Bijvoeglijk naamwoord

nep

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) onecht, vals
    • Wat heb je aan zo'n neppe vriend. 
    • Die diamant is nep. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord nep -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

nep m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) bedrog, onechtheid
    • De nep daarvan is toch overduidelijk! 

Werkwoord

vervoeging van
neppen

nep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van neppen
    • Ik nep. 
  2. gebiedende wijs van neppen
    • Nep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van neppen
    • Nep je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Bretons

Bijvoeglijk naamwoord

nep

  1. geen