neger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord neger negers
verkleinwoord negertje negertjes

Zelfstandig naamwoord

neger m

  1. iemand met een van nature donkere huid
    • Uit de grammofoon schalde jazzmuziek, achter de bar stond een neger uit Amerika. [2]
    • Tien kleine negertjes liepen in de regen [3]
Opmerkingen
  • Sommige mensen hebben moeite met het gebruik van het woord "neger".
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
negeren

neger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van negeren
    • Ik neger. 
  2. gebiedende wijs van negeren
    • Neger! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van negeren
    • Neger je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. blz 36. Zoete mond
    Door Thomas Rosenboom
    Uitgegeven door Querido, 2009 ISBN 9789021437163
  3. Eerste regel van een kinderversje