neger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord neger negers
verkleinwoord negertje negertjes

Zelfstandig naamwoord

neger m

  1. iemand met een van nature donkere huid
    Uit de grammofoon schalde jazzmuziek, achter de bar stond een neger uit Amerika.[2]
    Tien kleine negertjes liepen in de regen[3]
Opmerkingen
  • Sommige mensen hebben moeite met het gebruik van het woord "neger".
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
negeren

neger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van negeren
    Ik neger.
  2. gebiedende wijs van negeren
    Neger!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van negeren
    Neger je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. blz 36. Zoete mond
    Door Thomas Rosenboom
    Uitgegeven door Querido, 2009 ISBN 9789021437163
  3. Eerste regel van een kinderversje