negenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·ge·nen

Zelfstandig naamwoord

negenen

  1. datief van negen na voorzetsels bij tijdsaanduidingen
    • Het was omtrent negenen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zij kwamen met zijn negenen.
Zij waren negen in getal.

Gangbaarheid