negeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·geer·de

Werkwoord

vervoeging van
negeren

negeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van negeren
    • Ik negeerde. 
    • Jij negeerde. 
    • Hij, zij, het negeerde.