neersabelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·sa·be·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

neersabelen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neersabelen
sabelde neer
neergesabeld
zwak -d volledig
  1. met een sabel neerslaan of doden
  2. (figuurlijk) vernietigend bekritiseren
    • Nu de eerste storm is gaan liggen, durft hij voorzichtig te concluderen dat Wat ons niet zal doden de hoofdpijn wellicht waard is. Twee uur nadat het boek was uitgekomen verschenen al vernietigende kritieken. Maar de recensenten die de tijd namen om het boek uit te lezen, lijken wel positief te zijn. "Ik ben blij dat kranten als The New York Times en The Guardian het boek niet neersabelen in hun recensies. En nu ook de fans van Stieg Larsson positief zijn, merk ik dat het tij keert. Gelukkig maar."[2] 
    • “Ik ben fier, omdat het lange tijd bij gedachten bleef'. Sinds zeven jaar sluimerde het idee in haar hoofd. Een opleiding tot goudsmid brak ze af, maar ze liet zich niet afschrikken. Ook niet door critici, die elke stap in haar huidig leven willen neersabelen. 'Ik wil niet afhankelijk zijn van de staat en op kosten van de belastingbetaler leven'.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Renske Baars 8 september 2015
  3. de Standaard 25 augustus 2017