neem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neem

Werkwoord

vervoeging van
nemen

neem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nemen
    • Ik neem. 
  2. gebiedende wijs van nemen
    • Neem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nemen
    • Neem je? 
     Wij vonden 25 kilometer per dag al prima, terwijl jullie nu ruim 40 kilometer per dag doorjakkeren. Neem toch de tijd, zoiets maak je maar een keer in je leven mee. Het heeft me nooit losgelaten na al die jaren.’[1]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia