nazicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·zicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nazicht
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nazicht o [1]

  1. controle of alles in orde is
    • ‘Jammer genoeg draagt de Vlaming in het algemeen nog altijd veel te weinig zorg voor zijn fiets. Als je elke dag met de fiets rijdt, dan zou je om de vier maanden een nazicht moeten laten doen. Mensen maken hun fiets ook veel te weinig schoon. En met schoonmaken bedoel ik: alles. Ook de ketting, die je trouwens ook geregeld moet oliën. Je wast jezelf toch ook als je vol modder hangt? Het ergste voor een fiets is strooizout, dat vreet het metaal aan.’ [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard MAANDAG 20 MAART 2017