navorsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·vor·sen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

navorsen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
navorsen
vorste na
nagevorst
zwak -t volledig
  1. grondig en zorgvuldig onderzoeken
    • Broeder Lawrence staat bekend om zijn leven dicht bij God. Hij heeft een hekel aan het inkopen van wijn in Bourgondië en evenzo aan het werk in de keuken. Tot hij ontdekt dat hij juist in de gewone taken veel meer Gods nabijheid ervaart dan in de religieuze plichten. Zelfs het navorsen van zonden en het belijden ervan heeft minder effect op heiliging dan het zoeken van God in zijn dagelijks werk. Hij zegt tot God: „Het is uw werk wat ik doe.” Zo kan hij vijftien jaar in de keuken staan, omdat hij daar „kleine dingen voor Gods liefde” kan doen. [2] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen