navolgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·vol·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
navolgen
volgde na
nagevolgd
zwak -d volledig

Werkwoord

navolgen

  1. ergatief achter iemand aan gaan
    • De discipelen had hun netten in de steek gelaten en waren Jesus nagevolgd. 
  2. overgankelijk het voorbeeld van iemand volgen
    • Zijn innovatie werd door velen nagevolgd. 
  3. overgankelijk een regel of voorschrift nauwkeurig in de praktijk brengen
    • De normen op dat gebied worden niet altijd precies nagevolgd. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.