nautisch

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nau·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nautisch nautischer
verbogen nautische nautischere
partitief nautisch nautischers -

Bijvoeglijk naamwoord

nautisch

  1. betrekking hebbend op watersport of scheepvaart
    • Er is veel nautisch clichégebruik in de Tweede Kamer. Zo komen met enige regelmaat olie- dan wel mammoettankers voorbij (die zijn slechts met moeite van koers te veranderen, net als het overheidsbeleid). (Thijs Niemantsverdriet NRC 12 september 2015) 
    • Het nautisch evenement Sail trok dit jaar volgens de gemeente 2,3 miljoen bezoekers, in opeenvolgende dagen 350, 400, 500, 600 en 450 duizend. Zou het waar zijn? (Karel Knip NRC 5 september 2015) 
Hyponiemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl