nationalistisch
Uiterlijk
- na·ti·o·na·lis·tisch
- afgeleid van nationalist met het achtervoegsel -isch
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | nationalistisch | nationalistischer | - |
| verbogen | nationalistische | nationalistischere | - |
| partitief | nationalistisch | nationalistischers | - |
nationalistisch [1]
- (politiek) nationaal gezind
- Het burgerlijke, nationalistische en conservatieve milieu waarin ze waren opgegroeid, maakte hen ontvankelijk voor de revanchistische en antisemitische boodschap van Adolf Hitler. [2]
- Het gewone Rusland is nationalistisch, antiwesters en conservatief. [3]
- Het woord nationalistisch staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "nationalistisch" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ www.nrc.nl (21 nov 2024)
- ↑ www.nrc.nl (20 mei 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be