nasturen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

nasturen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nasturen
stuurde na
nagestuurd
zwak -d volledig
  1. op een later tijdstip iets naar iemand toebrengen
    • Bij aankomst op hun bestemmingen blijken van veel reizigers hun koffers niet in de vliegtuigen te zijn meegegaan. Een groot aantal vliegmaatschappijen waaronder KLM, moet die nu nasturen. [2] 
    • Met 555 inzendingen is er dit jaar een recordaantal ideeën binnengekomen bij organisator (en zorgverzekeraar) ONVZ. Door een jury zijn er uiteindelijk vijf ideeën genomineerd: het 'online intakeformulier voor cardiologie', 'studieschuld aflossen in de zorg', het 'gekleurde polsbandje voor patiënten met een allergie', 'zorgadvies nasturen per mail' en uitgeroepen tot winnaar: het 'mitella T-shirt'. [3] 
    • De grachten worden drukker en niet alle schippers nemen de vaarregels even serieus. Er ontstaan soms gevaarlijke situaties. Ook klagen woonbootbewoners over geluidsoverlast. Als boten een kenteken krijgen, kan de politie overtreders een bekeuring nasturen. Volgens de minister is echter landelijk de veiligheid op het water de laatste jaren niet verslechterd. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[5]


Verwijzingen