narcist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nar·cist
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse 'Narcissus' met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord narcist narcisten
verkleinwoord narcistje narcistjes

Zelfstandig naamwoord

narcist m

  1. (psychologie) iemand wiens gedrag wordt gekenmerkt door een obsessie met de persoon zelf (vaak het uiterlijk), egoïsme, dominantie, ambitie en gebrek aan inlevingsvermogen
    • Mijn baas is een onverbeterlijke narcist 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie