napret

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·pret
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord napret
verkleinwoord napretje napretjes

Zelfstandig naamwoord

napret v/m [1]

  1. het plezier dat je beleeft door je een leuke gebeurtenis te herinneren
    • De periodes voor en na de vakantie voegen minstens zoveel toe aan een geslaagde vakantie-ervaring als de vakantie zelf, wil onderzoeker Jessica de Bloom daarom benadrukken. Haar tips: richt je als bedrijf vooral op het leukste aspect: de voor- en napret. [2] 
    • Andretti bedankte zijn 'padrino' zaterdag op een wel heel speciale manier, zegt Van Bekkum met een mengeling van napret en walging. 'We reden in zijn taxi naar een cavia-restaurant waar hij twee gegrilde exemplaren bestelde. Wat ik ook probeerde en hoe onbeleefd het ook was, ik kreeg het vlees tot mijn spijt niet weg.' [3] 
    • De muziekavond werd vorig jaar voor het eerst georganiseerd, vertelt Geneugelijk. „Dat was zo leuk! Alleen de voor- en napret al. We dachten: Dat gaan we vaker doen!” [4] 
Synoniemen
Anagrammen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[5]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Daan Borrel 16 juli 2014 Bevel van de baas: géén werk op vakantie
  3. Het Parool CASPAR NABER 3 MAART 2014 Amsterdammer realiseert 'taxi-droom' van Peruaans boefje
  4. Reformatorisch Dagblad Neline Boogert 23-04-2014 Muziekavond in Ede met vier dirigenten
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be