napraat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·praat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord napraat -
verkleinwoord napraatje napraatjes

Zelfstandig naamwoord

napraat m

  1. het napraten

Werkwoord

vervoeging van
napraten

napraat

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van napraten
    • ... dat ik napraat. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van napraten
    • ... dat jij napraat. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van napraten
    • ... dat hij napraat. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.