nageven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nageven
gaf na
nagegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

nageven

  1. later geven, erkennen
    • Mijn vrouw heeft natuurlijk achteraf weer eens helemaal gelijk gehad, dat moet ik haar wederom nageven. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen