nagelschaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

nagelschaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • na·gel·schaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nagelschaar nagelscharen
verkleinwoord nagelschaartje nagelschaartjes

Zelfstandig naamwoord

nagelschaar v/m [1]

  1. een speciale klein schaartje bedoeld om de nagels te knippen
    • De dienstdoende bewaker heet Felix Tiroco, en zijn titel luidt: Night supervisor. Een assistent van Tiroco vist een nagelschaartje uit mijn rode toilettas. ‘Wat ga je hiermee doen?’ vraag de assistent van Tiroco. ‘Mijn nagels knippen’, zeg ik. Tiroco neemt mijn nagelschaartje in. Kennelijk meent Tiroco dat ik in het perscentrum van de Groene Zone mensen zal aanvallen met mijn nagelschaartje. [2] 
    • De achterkanten van de meeste steden en dorpen zijn een crime voor routemakers; ze laten zelden de meest charmante kant zien van een plaats. Dat bezwaar geldt hier niet. In tegenstelling tot fietsers en automobilisten krijgen wandelaars aan de achterkant, of ze willen of niet, flarden mee van het huiselijk leven achter de statige voorgevels. Een klassiek ingerichte keuken die vol staat met vuile vaat. Een opblaaszwembadje op een met een nagelschaar geknipt gazon, opa en oma buiten adem achter een roekeloze bende kleinkinderen. [3] 
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Arnon Grunberg 22 mei 2008
  3. Volkskrant NELL WESTERLAKEN 9 april 2011