nagelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nagel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nagelen
nagelde
genageld
zwak -d volledig

Werkwoord

nagelen

  1. (overgankelijk) met spijkers vastslaan
    Dat zit genageld, niet gevezen.