nadragen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·dra·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nadragen
droeg na
nagedragen
klasse 6 volledig

Werkwoord

nadragen

  1. overgankelijk voortgaan iemand iets te verwijten
    • In zijn nieuwe werkkring wordt hem het gebrek aan een Olympisch verleden nagedragen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.