nachts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nachts

Zelfstandig naamwoord

nachts

  1. genitief van nacht
    • Maar, och! Ontijdelijck met dat zich eerst uitstreckte
      De schaduw dezes nachts, ontijdelijck ons weckte
      een jammerlijck geschrey[1]
       
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Verlossinghe Israels
    Joost van den Vondel