nachtkast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nacht·kast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nachtkast nachtkasten
verkleinwoord nachtkastje nachtkastjes

Zelfstandig naamwoord

nachtkast v/m

  1. Een kast dat bij het bed staat
    • Hij had de foto van zijn overleden vrouw op het nachtkastje staan 
    • Pas in het pikkedonker toont hij zijn ware gezicht. Vervolgens wordt dat verlicht door de blauwe cijfers van de digitale wekker op het nachtkastje: 04.44. Ik zou moeten slapen, ik kan niet slapen. Ik slaap al een hele poos niet goed, niet meer dan een paar rusteloze uren per nacht. [1] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 14