nabouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nabouwen
bouwde na
nagebouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

nabouwen

  1. op dezelfde manier bouwen als al eerder gebeurd is

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.