nabestaande

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·be·staan·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nabestaande nabestaanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nabestaande v/m

  1. familielid van iemand die overleden is.
    • De nabestaande regelde de uitvaart van de overledene. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.