naamfeest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • naam·feest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naamfeest naamfeesten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

naamfeest o [1]

  1. een feest dat gevierd wordt op de sterfdag van de heilige naar wie iemand vernoemd is
    • 'Mijn favoriete slaapplaats is boven op een berg, onder de sterrenhemel. Buiten slapen is heerlijk, en vooral als het in een exotisch land is. Ik heb eens op de Griekse Ilias-berg geslapen, op 2.400 meter hoogte. Daar was een naamfeest aan de gang met vuurwerk, uitgelaten Grieken en ouzo. Je moest eerst 8 uur klimmen om er te geraken. De volgende dag bij zonsopgang keerden we terug. Het was echt fantastisch mooi.' [2] 
    • Dus pakte ze ook haar leven weer zakelijk op. Ze organiseerde een naamfeest voor haar tweeling waarop ze 200 mensen uitnodigde. Ze inde de levensverzekering, de lening voor hun huis van 500.000 euro werd afbetaald en ze kreeg 4.000 euro per maand van de staat. Ze zette een fonds op om de latere universiteitsstudies te kunnen betalen en begon weer als therapeut te werken. Ze deed ook wat terug voor de buurt die haar zo goed had opgevangen. Ze schonk twee speelpleintjes en een bevallingskamer aan een lokaal ziekenhuis. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 16 OKTOBER 2010 OM 00:00 UUR | Kurt Vandemaele HET BED VAN..
  3. De Standaard 08 SEPTEMBER 2011 Ariella en Olivia, de tweeling van de Twin Towers