naambord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • naam·bord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naambord naamborden
verkleinwoord naambordje naambordjes

Zelfstandig naamwoord

naambord o

  1. een bordje naast de voordeur met de namen van de bewoners
    • Het naambordje bevatte niet alleen de voornamen van de ouders en de kinderen, maar ook de namen van de huisdieren. 
  2. andere situaties waarbij namen op een plaatje staan
    • Naast de deur van het kantoor hangt een naambordje met de namen van de personen die in het kantoor werken. 
Synoniemen
  1. naamplaat

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.