nárok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • ná·rok
Woordherkomst en -opbouw
  • Mogelijk afgeleid van het zelfstandige naamwoord rok met het voorvoegsel na-

Zelfstandig naamwoord

nárok monbezield

  1. recht, aanspraak
    «Nesouhlasil s prodloužením pracovní doby bez nároku na zvýšení mzdy.»
    Hij stemde niet in met de verlengde arbeidsduur zonder recht op een loonsverhoging.
  2. eis; een noodzakelijke voorwaarde voor iets, meestal technisch van aard
    «Tento program klade na váš operační systém nemalé nároky
    Dit programma stelt geen kleine eisen aan uw besturingssysteem.
Verbuiging
Synoniemen
  1. právo o, požadavek monbezield, oprávnění o
  2. požadavek monbezield
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • činit si nárok na něco – aanspraak maken op iets
  • mít nárok na něco – een aanspraak hebben op iets
  • nárok na náhradu – recht op vervanging
  • nárok na dovolenou – recht op vakantie
  • nárok ze zákona – aaspraak op basis van de wet
  • právní nárok – gerechtelijke aanspraak
  • zříct se nároku – afzien van een aanspraak
Verwante begrippen
Paroniemen

Meer informatie

Verwijzingen