mouvoir
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| mouvoir /mu.vwaʁ/ |
mouvais /mu.vɛ/ |
mû / mu /my/ |
| derde groep | volledig | |
mouvoir
- overgankelijk verplaatsen
- overgankelijk bewegen [2]; voortbewegen; in beweging brengen
- overgankelijk (figuurlijk) raken; doen voelen; emoties opwekken
- wederkerend zich verplaatsen; zich voortbewegen
- ↑ mouvoir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.