motorrijtuig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·tor·rij·tuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord motorrijtuig motorrijtuigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

motorrijtuig o

  1. (verkeer) volgens de definitie van de Nederlandse Wegenverkeerswet: door een motor voortbewogen, niet langs rails geleid voertuig
  2. (spoorwegen) spoorvoertuig voor het vervoer van reizigers of post dat zichzelf, zonder aan andere voertuigen vastgekoppeld te zijn, kan voortbewogen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie