moto

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

1. motorvoertuig op twee wielen
Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·to
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord moto moto's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de motom

  1. (verkeer) motorvoertuig op twee wielen
    • Hij had zijn vervoermiddel, een zware moto, tegen de muur geplaatst. [1]
    • Burgerlijken mogen niet met auto of per moto rijden. [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Zelfstandig naamwoord

moto v

  1. motorfiets


Lingala

enkelvoud meervoud
moto 1 bato 10

Zelfstandig naamwoord

moto, bato 1

  1. persoon
  2. mens


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·to
enkelvoud meervoud
moto motos

Zelfstandig naamwoord

moto v

  1. (verkeer) motorfiets