morsdoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

2 morsdoekjes
baby met morsdoekje
Uitspraak
Woordafbreking
  • mors·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord morsdoek morsdoeken
verkleinwoord morsdoekje morsdoekjes

Zelfstandig naamwoord

morsdoek m

  1. doekje waarop met name een kind kan morsen tijdens het eten of drinken zodat de kleren schoon blijven

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be