morrelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mor·re·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘peuteren’ voor het eerst aangetroffen in 1709 [1]
  • frequentatief gevormd uit morren met het achtervoegsel -el
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
morrelen
morrelde
gemorreld
zwak -d volledig

Werkwoord

morrelen

  1. inergatief proberen iets los te krijgen door het heen en weer te bewegen
    • Hij morrelde wat aan het roestige slot en kreeg het zowaar open. 
  2. (figuurlijk) afbreken, kapot maken, wijzigen
     Mensen voelen zich persoonlijk aangesproken, zegt Çankaya, en schieten daardoor in het defensief. Bovendien: ‘Het Nederlandse zelfbeeld staat ons in de weg. Nederland zou een open en tolerant land zijn. Als een buitenstaander die je met moeite als gelijke kunt beschouwen je vervolgens vertelt dat er racisme is in Nederland, dan wordt er aan dat zelfbeeld gemorreld.’[2]

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen