Naar inhoud springen

moreel

Uit WikiWoordenboek
  • mo·reel
  • In de betekenis van ‘zedelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1]
  • afgeleid van het Frans moral of van het Latijnse morus met het achtervoegsel -eel [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord moreel -
verkleinwoord - -

hetmoreelo

  1. de geestesgesteldheid, geestelijke weerbaarheid, moed, werkkracht of strijdlust die iemand bezit
     Kennelijk zijn al deze zaken niet zozeer moreel verwerpelijk – dan zouden ze immers verboden zijn of algemeen veroordeeld worden – maar tasten ze de zuiverheid van de Utopiërs aan.[3]
     Een rationeel wezen is met andere woorden een moreel wezen.[4]
    • Het moreel van de troepen is hoog. 
    • In een oorlog weegt het moreel drie keer zo zwaar als materieel, luidt een van de vele clichés over een gewapend conflict. 
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen moreelmorelermoreelst
verbogen morelemoreleremoreelste
partitief moreelsmorelers-

moreel

  1. wat het moreel betreft
    • Het optreden van deze acteurs gaf de soldaten een morele opkikker. 
  2. wat de moraal, de zeden of de normen betreft
    • Hoewel wettelijk toegestaan is deze handelswijze is toch niet moreel te noemen. 
    • Het is een overtuiging waarin empathie als zwakte wordt gezien, democratie als decadent, en vooruitgang draait om technologische versnelling — zonder rem of moreel kompas. [5] 
98 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[6]