moraliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·ra·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans moralité [1]
  • afgeleid van moraal met het achtervoegsel -iteit
enkelvoud meervoud
naamwoord moraliteit moraliteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

moraliteit v

  1. de leer van de gewoontes en deugden
    • „In het geval van de overlast veroorzakende asielzoekers kom ik op voor de moraliteit. De spanningen liepen te hoog op. Er was sprake van winkeldiefstallen, zakkenrollerij en vechtpartijtjes. Als burgemeester ben je verantwoordelijk voor openbare orde en veiligheid. Dan hoor je in een situatie als deze in te grijpen.” [2] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. moraliteit op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Paul van der Steen 2 januari 2017