moderniteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·der·ni·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord moderniteit moderniteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

moderniteit v [1]

  1. het modern zijn
    • Bent u ook zo dol op al die moderniteiten? 
  2. (geschiedenis) periode van het modernisme, ruwweg overeenkomend met de eerste helft van de 20e eeuw
    • het tijdperk van de moderniteit heeft gruwelijke en ongeziene excessen van inhumaniteit gekend.[2] 
  3. een hedendaags verschijnsel
Vertalingen

Verwijzingen

Meer informatie

Gangbaarheid